Verhaal

Reizen en trekken in de achttiende eeuw

Van reizen en trekken

Wie denkt dat in vroeger tijden weinig gereisd en rondgetrokken werd, vergist zich. Kooplieden trokken naar verre landen om zaken te doen. Jonge welgestelden en kunstschilders reisden naar Italië en Frankrijk om te studeren of zich te ontwikkelen. Soldaten kwamen en gingen. Vele ontheemden door oorlogsgeweld, verjaagden en vervolgden zwierven door Europa. Ze trokken ook door Hardenberg, waar ze aanklopten om ondersteuning. De boeken van de diaconie uit de achttiende eeuw getuigen daarvan: een bonte stoet van verminkten, zieken, vrijgelaten slaven van de Turkse galeien, vrouwen “belaeden met kinders”, beroofde kooplui, ambachtsgezellen en tal van anderen klopten op hun doortocht door Hardenberg aan bij de diaconie, tientallen per dag soms. Ze kregen altijd iets, vooral als ze een goede “attestacy” bij zich hadden, en werden in staat gesteld voor enkele dagen voedsel te kopen. Soms bezorgde men onderdak aan hen die aan het eind van hun krachten waren.

 

 

Maar er waren ook anderen, die hun reis met een goed gevulde beurs maakten. Velen hadden evenwel wisselbrieven bij zich, die men in verre steden kon verzilveren, de Eurocheques van de achttiende eeuw. Op die manier nam men zich in acht voor dieven en rovers die het gemunt hadden op hun geld.

Als men te Hardenberg wilde overnachten, kon men terecht bij Willem Kramer, de herbergier van “Den Engel”. Dit bekende logement was gemakkelijk te vinden, want het had een uithangbord met een vergulde engel erop. Jan ten Hoorn vermeldt het in zijn grote reisboek uit het jaar 1700. Deze achttiende-eeuwse voorloper van de “Guide Michelin” telde niet minder dan 664 bladzijden.

 

 

Uit verschillende rekeningen blijkt dat het goed toeven was bij Willem Kramer. Zelfs de “kerkenraet” wist de weg naar zijn logement, bijvoorbeeld op 16 februari 1734:

 

 

Ook leverde hij drank en “toback” aan het raadhuis:

 

 

Het onderstaande fragment uit een reisbeschrijving beschrijft een bezoek aan Hardenberg in die dagen (1740):

 

 

De zoon van Willem Kramer, Berend Gerhard Kramer, wordt benoemd tot secretaris van de stad. Na de dood van zijn vader wordt de herberg gedreven door zijn moeder en zijn zuster. Als  stadssecretaris heeft hij geijverd voor het tot stand komen van de postdienst Zwolle - Hardenberg - Neuenhaus - Lingen. Kramer had een belangrijk aandeel in het opstellen van het convenant

betreffende deze postdienst, waarvan een afschrift te vinden is in het archief van de gemeente Hardenberg, geschreven in een oude almanak.

Wie op reis ging in de zeventiende en de achttiende eeuw, deed dat te paard of maakte gebruik van de postkoets. Men diende rekening te houden met allerlei moeilijkheden en ongemakken die zich op reis konden voordoen. Sommigen beschouwden de postkoets als een martelwerktuig, want op de hobbelige zandwegen vol diepe kuilen in het karrespoor werd men geradbraakt. Niet zelden brak een wiel, soms sloeg de koets om. Men moest over een sterke constitutie beschikken.

 

 

Voeg daarbij de plaag van ongedierte, vlooien en luizen in de herbergen, slecht eten en bedrieglijke herbergiers, dan is het duidelijk dat de reisgids van Jan van Hoorn goede diensten kon bewijzen, want ze bevatte tal van praktische raadgevingen voor de reiziger. We lezen in zijn boek hoe men niet zelden tijdens het reizen overvallen wordt door koorts, buikpijn, de loop of hoofdpijn. In de postkoets kregen reizigers een bloedneus door het hotsen van de wagen, oorsuizingen, “een quade keel”, hoestbuien, een zware verkoudheid of ander onheil. Ten Hoorn noemt daarvoor medicijnen.

Een stofkam en een vlooienkrabber mochten niet ontbreken in een reisnecessaire. Hieronder zijn middel tegen  ongedierte:

 

 

In zijn hoofdstuk “Waarschouwingen” geeft hij tal van behartenswaardige wenken:

 

 

Wij geven van deze waarschuwingen een korte omschrijving: Ten Hoorn raadt ieder aan om niet alleen op reis te gaan, “Want reijzen zonder mede-maat, En was nooit Wijze lieden raad.”

Neem je in acht voor dobbelaars en valse spelers. Wacht u voor hem die onder schijn van grote beleefdheid zich onderweg aan u opdringt en vraagt waar ge vandaan komt, wat het doel van uw reis is en hoe lang de reis zal duren. Als hij door uw antwoorden er lucht van krijgt dat ge goed van geld voorzien bent, zal hij zeggen dat hij in dezelfde plaats moet wezen en nodigt u met de grootste

beleefdheid uit met hem in een herberg te gaan. Daar wachten zijn makkers, die van plan zijn u met dobbelspel of kaartspel uit te schudden als u zo onnozel bent hun geveinsde beleefdheid voor vriendschap aan te zien. Deze roofvogels willen met u aan het spelen raken. Eerst zult ge winnen, maar dan draaien de kansen en ge verliest met de mooiste kaarten in de hand of bij het dobbelspel.

Bedwing uzelf en staakt het spel. Wend voor dat ge iets doen moet. Lijd liever verlies dan geheel uitgeschud te worden.

Als ge te paard reist, kunt ge twee of drie mannen zien naderen, die bij u komen en doen alsof ze bang zijn. Ze zullen vertellen dat ze zojuist door rovers besprongen zijn, maar deze dapper afgeslagen hebben onder het uiten van krachttermen en eden. Ze letten erop of ge kloekmoedig zijt. Als ge angst toont, zullen ze u schielijk overvallen en u beroven van geld en goed. Let op hun bewegingen. Als ze voor u rijden en hun tred zo vertragen dat ge ze moet passeren, wees dan op uw hoede en zoek een goed heenkomen, want er is geen duidelijker aanwijzing om rovers te herkennen dan deze opzettelijke vertragingen.

Doorgaans zijn ze ook te herkennen aan lange lichte mantels, om de oren geslagen om het gezicht te bedekken. Let op of ze zich ook anders vermomd hebben: “Ziet hen fel in ’t gezigt”. Als ze hun hoofd dan afwenden of schichtig herwaarts en derwaarts kijken, “zoo vlied met alle mogelijke spoed van hen af, om uw nood- of dood-lot te ontvlugten”.

Ten Hoorn wijst erop dat struikrovers en dieven tot vaste regel hebben, te opereren op de algemene en druk bereden wegen. Reis daarom liever op bijwegen en, als er vrees is, rijd dan met je vriend op een steenworp van elkaar, zodat als de een wordt aangevallen, de ander hulp kan halen. Toon nooit angst en geef bij overmacht een deel van uw geld, geef hun de schoonste woorden en toon geen misnoegen op uw gezicht. Houd u onnozel als ze om meer vragen, kijk niet naar de plaats waar ge de rest van uw geld verborgen hebt en leg er uw hand niet op.

Verder geeft hij de raad om in de herberg zwijgzaam te zijn, ook tegen uw vriend, want de rover luistert mee.

Wacht u voor stalknecht, kamerdienaar en waard, want de eerste twee kunnen handlangers zijn van een dief en de laatste hoopt wellicht dat de buit overdadig in zijn herberg verteerd zal worden. “Wagt u derhalven los van tong te zijn, en denkt dat het zwijgen in diergelijke gelegentheden tot geen schade verstrekken kan.”

 

Veertig jaar na het verschijnen van het reisboek werd de herberg “De hongerige Wolf” door rovers overvallen.

Niettemin blijven sommige Reys-lessen van Jan ten Hoorn ook in onze dagen nog steeds actueel.

 

Het artikel is van C. Lina en komt uit Rondom den Herdenbergh, nr. 2

Mevrouw Frieke Kampman-Herbert heeft voor dit artikel een kopie van het originele reisboek ter beschikking gesteld.

Reacties