Verhaal

Landbouwverslag Ambt Hardenberg 1850-1851

Landbouwverslag Ambt Hardenberg 1850-1851 een verhaal uit het tijdschrift “Rondom den Herdenbergh” van 1998 15/4 geschreven door Dinah Hesselink-Zweers.

 

De ingezetenen van Ambt Hardenberg hadden anderhalve eeuw geleden als voornaamste takken van bestaan: De landbouw in het algemeen, de cultuur van boekweit in de venen, de vee- en bijenteelt, het graven en maken van turf en het mesten van varkens. De ontginning van woeste gronden begon meer en meer veld te winnen doordat verdeling van diverse markegronden tot stand kwam. De uitgestrektheid der woeste gronden bedroeg ongeveer 3900 bunders. De veenderijen hadden een uitgestrektheid van ongeveer 2700 bunder en de verveende hoeveelheid bedroeg van de 2de soort der 1ste klasse, 156.800 ton en van de 2de soort der 3de klasse, 849.500 ton, de eigen consumptie daaronder begrepen. De afvoer van turf was vrij gunstig en voor de vet gemeste varkens en de verschillende voortbrengselen van de oogst werden  middelmatige prijzen bedongen. Over het algemeen bracht de grond goede producten voort, met name langs de oevers van de Vecht trof men beste landerijen en hooi-en weidelanden aan; natte zomers echter waren in deze streek zeer schadelijk.


Men verbouwde onder anderen rogge, boekweit, haver, gerst, aardappelen, knollen, vlas enz. De oogst van 1850 was wat boekweit betreft ongunstig, hoewel niet zo erg mislukt als het voorgaande jaar. De rogge leverde een matig gewas, aardappelen hadden weer veel door de bekende ziekte geleden en in de voorzomer door nachtvorsten. De oogst van knollen en haver was gunstig, die van de overige veldgewassen middelmatig.

Op de eerste dag van juni 1851 was de staat der veldgewassen als volgt:
- rogge zeer gunstig
- oliezaad zeer gunstig
- aardappelen achterlijk, wegens het aanhoudend koude natte weder; op enige lage akkers is deze
  veldvrucht zelfs nog niet te voorschijn gekomen
- gras en hooilanden hebben over het algemeen een treurig aanzien, wegens de koude natte 
  weersgesteldheid die eerst onlangs door schrale droogte is opgevolgd en wel bepaaldelijk die
  groengronden welke aan de oevers der Vecht en Radewijkerbeek liggen en eerst voor weinige dagen van
  het water zijn bevrijd geworden.
- de hogere groengronden welke gemest zijn kan men ook nog niet gunstig noemen, en leveren nog weinig 
  gras op; alzo de winter voorraad reeds lang verteerd is leed het vee in de afgelopen maand gebrek, hier
  en daar zijn gehele stukken rogge tot voedsel voor het vee afgemaaid; en men stelt zich ook niet anders 
  voor dan dat de zomer van 1851 een zeer ongunstig gras- en hooigewas zal opleveren.
- de boekweit is men op de zandgronden begonnen te zaaien; men maakt zich zeer bezorgd dat het zaaien
  van boekweit in de venen dat voor een groot gedeelte van de bevolking dezer gemeente een levenskwestie
  is, eerst heel laat zou kunnen plaats hebben, daar er een langdurige droogte gevorderd wordt om de 
  veenakkers tot branden geschikt te maken. De droogte welke voor enige dagen is ingevallen heeft de
  moed echter weder doen herleven.
- omtrent andere gewassen als haver, gerst enz. valt op dit ogenblik nog niets op te merken daar deze nu
  eerst gezaaid worden.
- tot heden toe is er nog gene ziekte in enig veldgewas bespeurd.

 

In de "Oald Ni'js -Courant" van 30 augustus 1851 stond het volgende artikel:

Voorlopig verslag van den landbouw in den gemeente Ambt Hardenberg: In het algemeen hebben de veldgewassen die reeds binnen zijn geoogst een vrij gunstig resultaat opgeleverd en beloven de nog te velde staande gewassen ook een goede opbrengst. Dat de oogst gunstig is uitgevallen heeft men aan een buitengewoon vruchtbaren nazomer te danken, terwijl men zich in den voorzoomer die vochtig en schraal was over den staat van sommige gewassen eenigszins bezorgd maakte. Van ieder voortbrengst van landbouw volgt hier onder eene afzonderlijke beknopte opgave.

1. tarwe, wordt in deze gemeente wegens de mindere geschiktheid van den grond weinig verbouwd; de
    tarwe die men hier vindt is echter vrij gunstig uitgevallen.
2. rogge, heeft een overvloedigen oogst opgeleverd; de aar was eenigszins holgeladen maar zulks werd door
    de menige halmen welke op het land stonden ruim vergoed; de hoedanigheid is uitmuntend, daar
    tusschen het maaijen en binnenhalen niets geen regen is gevallen.

3. garst, levert dit jaar mede een goed gewas op; dit product wordt in deze streek echter weinig verbouwd.

4. haver, wordt ook weinig verbouwd,,doch is mede gunstig uitgevallen.

5. boekweit, men is thans bezig met het maaijen der zandboekweit, die goed geladen is en ook veel stroo Z
    oplevert; de veenboekweit bloeit nog, doch belooft ook een rijken oogst, waarop echter niet met 
    zekerheid kan gerekend worden, wegens het gevaar voor nachtvorsten die de maand september
    doorgaans oplevert; wegens de vochtigheid der veenen in den maand mei heeft men dezelve eerst laat 
    kunnen branden, zoodat een aanhoudende warme en vruchtbare nazomer werd vereischt om de boekweit
    behoorlijk te doen rijpen.

6. koolzaad, het winter-koolzaad heeft een goed gewas opgeleverd en het zomerzaad ziet men ook een
    gunstigen oogst te gemoet.

7. vlas, hetgeen van het land reeds is afgevoerd heeft gedurende dezen zomer des lands man een blij 
    vooruitzicht opgeleverd en men heeft alle grond dat hetzelve onder de verdere behandeling wat de 
    deugelijkheid aanbelangt, den landbouwer geene te leurstelling zal aanbrengen. .

8. hen nip, wordt in 't geheel of ten minsten bij zodanige geringheid alhier verbouwd, dat men daarnaar niet 
    eene maatstaf over het wel of niet gelukken van dit gewas kan neemen.

9. erwten, worden hier weinig en alleen voor eigen gebruik verbouwd, doch hebben dit jaar veel opgeleverd.

10. paardeboonen, met dit gewas zijn slechts hier en daar eenige hoekjes gronds bezaaid en schijnen 
     dezelve ook niet ongunstig te zijn.

11. aardappelen, de vroege aardappelen zijn uitmuntend uitgevallen zoo wel wat hoeveelheid als 
      hoedanigheid betreft; weliswaar heeft zich daarin wederom de bekende ziekte vertoond, doch is de knol 
      verschoond gebleven; bij de late aardappelen heeft zich de ziekte ook hier en daar beginnen te 
      vertonen echter alleen in het loof en vleit men zich dat bij den langzamen voortgang der ziekte de 
      vrucht zelve weinig nadeel daarvan zal ondervinden.

12. knollen, zijn eerst dezer dagen opgekomen en laten zich goed aanzien.

13. wortelgewassen, deze gewassen worden hier niet aangetroffen dan voor eigen gebruik, belovende 
      zogenaamde winterwortelen alhier overigens een gunstigen oogst.

14. spurrie, heeft zich na de in de laatste dagen gevallen regen geheel hersteld.

15. klaver, dit paarde- en beestenvoeder heeft dit jaar ook het hare wederom ruimschoots bijgedragen om in
      derzelver voeding te kunnen voorzien.

16. gras en hooi, het hooi was dit jaar van uitmuntende qualiteit, en heeft een vrij voordeeling gewas
      opgeleverd; de hooge groengronden waren dit jaar bij uitzondering beter dan de lage, welk laatste door
      den langdurigen hoogen waterstand van de rivier de Vecht zeer achterlijk waren.

17. rundvee, niet bijzonder voordeelig, in den voorzomer vond het vee weinig voedsel wegens de schrale
      koude weersgesteldheid die den groei van het gras zeer tegenhield; de prijs van het vee was in den 
      voorzomer laag wegens gebrek aan voeding, later werd het vee williger.

18. boter, de boter is ook dit jaar niet ongunstig geweest en is dezelve altijd nog al prijshoudende geweest.

19. paarden, de paardenfokkerij, hoeveel alhier niet in 't groote plaats vindende, is ook dit jaar niet
      ongunstig; en wat de gezondheidstoestand betreft heeft men alle redenen om daarover te vreeden te 
      zijn.

20. schapen en wol, buitengewone sterfte heeft er dit jaar onder dit diersoorte niet plaatsgehad en heeft
      hetzelve eene voldoende hoeveelheid wol opgeleverd.

21. varkens, de prijzen der varkens waren in het voorjaar laag, edoch oogenblikkelijk naar men zegt, dat zij 
      tegen hoogen prijs worden verhandeld; ziekte in derzelven heeft men ook alhier niet opgemerkt en 
      begint de tijd om dezelve te mesten alhans eerst aan te vangen.

22. gevogelte, niet van toepassing.

23. bijen, de bijenteelt waarvan in den streek wegens de uitgestrekte boekweite en heidevelden veel werk
      wordt gemaakt, heeft een goed gewin opgeleverd; in den voorzomer liet het zich met deze tak van 
      nijverheid zeer ongunstig aanzien; de nazomer, vooral de maand augustus, was echter bij uitstek 
      gunstig.

24. warmoezerijen, wordt hier weinig aangedaan; groenten hebben dit jaar over het algemeen wel willen 
      groeijen.

25. vruchtboomen, worden hier zeer weinig gevonden; de appel- en pereboomen zijn ongelijk geladen; de 
      opbrengst zal middelmatig zijn; andere vruchtboomen vindt men hier nagenoeg in het geheel niet.

26. opgaande boomen, worden hier weinig gepoot; voor zoover men kan nagaan is deze zomer voor het 
      opgaande hout niet ongunstig geweest.

27. akkermaalshout en run, akkermaalshout wordt hier zeer weinig gevonden; er is in dit jaar hier en daar 
      een weinig gehakt hetwelk even als de run die daarvan kwam van goede hoedanigheid is geweest; 
      hetjaars-lot was buitengewoon gunstig, het eerste lot daarentegen van weinig betekenis.

28. winterhakhout, wordt hier mede weinig of niet gecultiveerd; wegens de goedkoopheid van den turf.

29. twieg en riesweerden, zijn hier niet aanwezig.

30. riet en biezen, evenmin.

31. woeste gronden, zijn in dit jaar bijna niet ontgonnen; zullende hier achter spoedig over een aantal van 
      257 bunders een aanvang worden gemaakt, waarvoor de eerste aangifte onlangs heeft plaats gehad.

32. veenderijen, er is dit jaar aan en bij de Dedemsvaart veel turf gegraven, ook sponturf is wel een derde 
      meer dan vorige jaaren gemaakt; van de prijzen valt nog niets bepaalds te zeggen, doch waarschijnlijk 
      zullen deze nagenoeg dezelfde zijn als het vorige jaar.

33. toestand en verbetering van wegen en vaarten, de weg van Heemse langs Heemserveen naar de 
      Dedemsvaart, welke dit jaar als een weg van de 3e classe op het tableau van de wegen is gebragt, 
      heeft een vrij aannemelijke verbetering ondergaan en zal vóór den winter nog verdere verbeteringen 
      bekomen; de dijk te Slagharen, welke loodregt op de Lutter Hoofdwijk aanschiet is mede merkelijk 
      verbeterd; behalve de Dedemsvaart en daartoe behoorende wijken zijn in deze gemeente geen kanalen
      of vaarten aanwezig.

34. gesteldheid van het weder, de weersgesteldheid was in den afgeloopen winter zacht; de lente en de 
      voorzomer waren vochtig en koud; de maanden juli en augustus bij uitstek vruchtbaar, zoodat alle 
      gewassen die het vroegere ongunstige weder hadden geleden, zich konden herstellen.

35. mest en bemesting, de groote grondeigenaaren aan de Dedemsvaart laten veel mest per schip van 
      elders komen; in de buurtschappen kan men niet dezelve zoo gemakkelijk aanschaffen en zoude men 
      meer mest kunnen aanwenden dan men thans bij magte is voort te brengen.

Bron:

Gemeente Archief Hardenberg: In- en uitgaande stukken Ambt Hardenberg.

Reacties